Na de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg was er kamerbreed draagvlak voor veranderingen. De zorg voor onze jeugd zou stroperig zijn. Taken zouden te veel op elkaar worden afgewenteld. Het systeem bestond uit teveel schakels en was verworden tot een systeem dat “wel zou moeten groeien”. Na de evaluatie op de Wet op de Jeugdzorg, is besloten dat de provinciale jeugdzorg, als onderdeel van een veel breder pakket, gefaseerd zal worden overgedragen naar gemeenten. Dit in de verwachting dat de zorg voor de jeugd onder verantwoordelijkheid van de gemeente letterlijk dichter bij het kind georganiseerd zou worden, en dat integrale zorg en ondersteuning op die manier makkelijker tot stand zouden komen. Dat er in de zorg voor onze jeugd iets moest veranderen was dus voor iedereen duidelijk. Maar of het overhevelen van taken naar de gemeente alleen daarvoor voldoende is… Ik denk van niet.
Nederlandse jongeren behoren tot de gelukkigste van de wereld. Ze groeien over het algemeen zonder al te grote problemen op en zijn bij navraag ook tevreden over de manier waarop ze worden opgevoed. Toch ligt de nadruk de laatste jaren in relatie tot de jeugd vooral op het aanpakken van “problemen”. Jongeren die op straat rondlummelen, worden verwezen naar zogenaamde JOP’s, Jongeren Opvang Plekken. Het liefst op een plek waar niemand last van ze heeft. Lees: zo ver mogelijk uit de buurt van de bewoonde wereld. Het aantal geïndiceerde zorgleerlingen stijgt explosief en het aantal kinderen met een zogenaamd rugzakje groeit exponentieel. Er gaat geld genoeg naar de zorg voor onze jeugd. Maar we leggen wel heel weinig nadruk op het stimuleren en ondersteunen van de normale ontwikkeling van een kind. We proberen met veel en vaak dure zorg afwijkingen van wat we normaal vinden, tegen te gaan. We vergeten vaak dat onze kinderen talenten hebben die we moeten helpen ontplooien. Samengevat: we moeten van “probleemdenken naar ondersteuningsdenken”.
Subsidiariteit
Binnen de Christendemocratie zijn we bekend met het subsidiariteitsbeginsel. Het idee dat een “hogere” instantie niet de dingen moeten willen regelen die een “lagere” instantie kan afhandelen. Bij de zorg voor onze jeugd zou dat niet anders moeten zijn. Opvoeden vindt plaats binnen het gezin, de buurt, de school. Ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind. Ook wanneer daar ondersteuning bij nodig is. Het kind en de ouders zijn eigenaar van het “probleem” en dus ook van de oplossing. Juist door in eerste instantie gezins-, maar ook buurt- en schoolverbanden te versterken, en gemeenschappelijk bij te sturen zodra dat nodig is, kan de samenleving veel leed en veel kosten besparen.
Krachtenveld?
Misschien zullen veel mensen bovenstaande visie onderschrijven. Toch begint zich een tegenbeweging aan te dienen. Vanuit een bepaalde hoek in menige raadzaal vraagt men zich met regelmaat af of burgers eigenlijk wel “eigen kracht” hebben. Of de sociale verbanden die voor de opvoeding van kinderen zo nodig zijn, eigenlijk nog wel bestaan. De druk om aan te tonen dat gemeenschapsgeld effectief wordt ingezet en de druk om aan te tonen dat alle procedures goed worden doorlopen en er in juridische zin dus geen fouten worden gemaakt, wordt steeds groter. Met alle toegenomen vormen van administreren, protocolleren en bureaucratie als gevolg. We kunnen mopperen op de bureaucratische rompslomp binnen de jeugdzorg. De waarheid is dat de politiek die bureaucratie eist. Tenslotte is er nog het eigenbelang van verschillende instellingen. Samenwerken in het belang van kinderen klinkt mooi. Maar wanneer het instellingsbelang geschaad zou kunnen worden, is dat heel wat moeilijker. Dit alles in de wetenschap dat transformeren iets is waarvoor een lange adem nodig is, politiek zich beweegt binnen periodes van vier jaar en incidenten sterk worden uitvergroot. Geen makkelijke opgave.
Vertrouwen en lef
Het organiseren en begeleiden van de transitie in de jeugdzorg is een ingewikkelde klus. Binnen de regio Noord Oost Brabant pakken we dat samen goed op. Er is een visie, er is een ambtelijk aanjaagteam, er is bestuurlijk draagvlak. Met goede begeleiding en overdracht vanuit de provincie en overleg met instellingen, ouders en kinderen zal de transitie in organisatorische zin wel slagen. Maar voor de transformatie die we eigenlijk willen, is meer nodig. En niet in de laatste plaats bestuurlijke lef. Durven we hardop uit te spreken dat we vertrouwen hebben in de kracht en de passie van professionals – ook wanneer ze wat minder verantwoording afleggen? Natuurlijk moet de overheid zorgen voor goede voorzieningen in wijken en dorpen, voor professionele, direct inzetbare ondersteuning. Maar durven we te geloven in de kracht van burgers en sociale verbanden in de wetenschap dat het niet altijd goed zal gaan?
Conclusie
Wil de transitie van de jeugdzorg werkelijk een verbetering zijn dan zal ze de vorm van een transformatie moeten krijgen. En wil die transformatie in het huidige krachtenveld kans van slagen hebben, dan zullen bestuurders werkelijk vertrouwen moeten hebben in de kracht van professionals, sociale verbanden en mensen. Dan moeten bestuurders durven loslaten.
Els
14 februari 2012
Grappig om te lezen dat u zich ook zorgen maakt over de controle drift en veles regels in jeugdzorg.Echter u als gemeente doet daar zelf ook stevig aan mee. Denk aan de leerlingenvervoer waarbij wij als ouder elk jaar een boekwerk van dure specialisten in moeten dienen omdat een kind niet kan fietsen bijv. En als je dan vervolgens binnen dat jaar iets moet van de Enig kun je weer het zelfde boekwerk indienen. Terwijl bijv. onderling ook instanties elkaars rapieren over moeten doen omdat dit toevallig de verkeerde club is volgens de gemeenten. Ook hier zou de gemeente zelf het voorbeeld kunnen geven en ouders waarbij duidelijk is dat door handicap kind nooit met Bijv Over kan reizen dit wel vraagt elk jaar te bewijzen.
renepetersoss
14 februari 2012
Beste Els,
Met de vaststelling van de nieuwe verordening voor het leerlingenvervoer geven we sinds september indicaties af voor meerdere schooljaren wanneer duidelijk is dat de leerling gebruik zal blijven maken van het leerlingenvervoer en niet kan foetsen of reizen met het OV. Dat is dus al geregeld. Verder heb je gelijk dat er nog veel te verbeteren valt.
Rene
Henk Reimert
14 februari 2012
Goed verhaal, mooie analyse. Waard om verder over te praten en uit te werken. En dan met name over de spanning tussen de hulp voor de meest kwetsbare doelgroep (die we sterk moeten maken, maar ook blijven(d) beschermen) en de groep waarvoor het krijgen en nemen van eigen verantwoordelijkheid en kracht aan de orde is. En dan gaat het ook over plichten. De lijnen in noordoost zijn zo langzamerhand te zien, concrete invulling gaan we geven.
Henk Reimert
Nico de Boer
20 februari 2012
Inderdaad een goed verhaal, maakt nieuwsgierig naar meer: ik hoop eigenlijk dat je in een volgend blog verder gaat met die laatste kwestie: bestuurders die moeten durven loslaten. Ik hoor her en der geluiden in diezelfde richting, maar kunnen bestuurders dat dan? En wat hebben ze daarvoor nodig? Ook van de politiek… Ken je trouwens de BV Burgerkracht? zie http://prezi.com/lpbwupktw7oe/de-bondgenoten-voor-burgerkracht/ Volop actief in het Brabantse