Transformatie?

Posted on 13 februari 2012

4


Na de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg was er kamerbreed draagvlak voor veranderingen. De zorg voor onze jeugd zou stroperig zijn. Taken zouden te veel op elkaar worden afgewenteld. Het systeem bestond uit teveel schakels en was verworden tot een systeem dat “wel zou moeten groeien”. Na de evaluatie op de Wet op de Jeugdzorg, is besloten dat de provinciale jeugdzorg, als onderdeel van een veel breder pakket, gefaseerd zal worden overgedragen naar gemeenten. Dit in de verwachting dat de zorg voor de jeugd onder verantwoordelijkheid van de gemeente letterlijk dichter bij het kind georganiseerd zou worden, en dat integrale zorg en ondersteuning op die manier makkelijker tot stand zouden komen. Dat er in de zorg voor onze jeugd iets moest veranderen was dus voor iedereen duidelijk. Maar of het overhevelen van taken naar de gemeente alleen daarvoor voldoende is… Ik denk van niet.

Positief jeugdbeleid

Nederlandse jongeren behoren tot de gelukkigste van de wereld. Ze groeien over het algemeen zonder al te grote problemen op en zijn bij navraag ook tevreden over de manier waarop ze worden opgevoed. Toch ligt de nadruk de laatste jaren in relatie tot de jeugd vooral op het aanpakken van “problemen”. Jongeren die op straat rondlummelen, worden verwezen naar zogenaamde JOP’s, Jongeren Opvang Plekken. Het liefst op een plek waar niemand last van ze heeft. Lees: zo ver mogelijk uit de buurt van de bewoonde wereld. Het aantal geïndiceerde zorgleerlingen stijgt explosief en het aantal kinderen met een zogenaamd rugzakje groeit exponentieel. Er gaat geld genoeg naar de zorg voor onze jeugd. Maar we leggen wel heel weinig nadruk op het stimuleren en ondersteunen van de normale ontwikkeling van een kind. We proberen met veel en vaak dure zorg afwijkingen van wat we normaal vinden, tegen te gaan. We vergeten vaak dat onze kinderen talenten hebben die we moeten helpen ontplooien. Samengevat: we moeten van “probleemdenken naar ondersteuningsdenken”.

Subsidiariteit

Binnen de Christendemocratie zijn we bekend met het subsidiariteitsbeginsel. Het idee dat een “hogere” instantie niet de dingen moeten willen regelen die een “lagere” instantie kan afhandelen. Bij de zorg voor onze jeugd zou dat niet anders moeten zijn. Opvoeden vindt plaats binnen het gezin, de buurt, de school. Ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind. Ook wanneer daar ondersteuning bij nodig is. Het kind en de ouders zijn eigenaar van het “probleem” en dus ook van de oplossing. Juist door in eerste instantie gezins-, maar ook buurt- en schoolverbanden te versterken, en gemeenschappelijk bij te sturen zodra dat nodig is, kan de samenleving veel leed en veel kosten besparen.

Krachtenveld?

Misschien zullen veel mensen bovenstaande visie onderschrijven. Toch begint zich een tegenbeweging aan te dienen. Vanuit een bepaalde hoek in menige raadzaal vraagt men zich met regelmaat af of burgers eigenlijk wel “eigen kracht” hebben. Of de sociale verbanden die voor de opvoeding van kinderen zo nodig zijn, eigenlijk nog wel bestaan. De druk om aan te tonen dat gemeenschapsgeld effectief wordt ingezet en de druk om aan te tonen dat alle procedures goed worden doorlopen en er in juridische zin dus geen fouten worden gemaakt, wordt steeds groter. Met alle toegenomen vormen van administreren, protocolleren en bureaucratie als gevolg. We kunnen mopperen op de bureaucratische rompslomp binnen de jeugdzorg. De waarheid is dat de politiek die bureaucratie eist. Tenslotte is er nog het eigenbelang van verschillende instellingen. Samenwerken in het belang van kinderen klinkt mooi. Maar wanneer het instellingsbelang geschaad zou kunnen worden, is dat heel wat moeilijker. Dit alles in de wetenschap dat transformeren iets is waarvoor een lange adem nodig is, politiek zich beweegt binnen periodes van vier jaar en incidenten sterk worden uitvergroot. Geen makkelijke opgave.

Vertrouwen en lef

Het organiseren en begeleiden van de transitie in de jeugdzorg is een ingewikkelde klus. Binnen de regio Noord Oost Brabant pakken we dat samen goed op. Er is een visie, er is een ambtelijk aanjaagteam, er is bestuurlijk draagvlak. Met goede begeleiding en overdracht vanuit de provincie en overleg met instellingen, ouders en kinderen zal de transitie in organisatorische zin wel slagen. Maar voor de transformatie die we eigenlijk willen, is meer nodig. En niet in de laatste plaats bestuurlijke lef. Durven we hardop uit te spreken dat we vertrouwen hebben in de kracht en de passie van professionals – ook wanneer ze wat minder verantwoording afleggen? Natuurlijk moet de overheid zorgen voor goede voorzieningen in wijken en dorpen, voor professionele, direct inzetbare ondersteuning. Maar durven we te geloven in de kracht van burgers en sociale verbanden in de wetenschap dat het niet altijd goed zal gaan?

Conclusie

 Wil de transitie van de jeugdzorg werkelijk een verbetering zijn dan zal ze de vorm van een transformatie moeten krijgen. En wil die transformatie in het huidige krachtenveld kans van slagen hebben, dan zullen bestuurders werkelijk vertrouwen moeten hebben in de kracht van professionals, sociale verbanden en mensen. Dan moeten bestuurders durven loslaten.

Posted in: Uncategorized