Autoritair medelijden

Posted on 25 november 2012

3


Helpen heeft de onmiddellijke associatie: goed! Nadere beschouwing roept echter de vraag op: goed voor wie? Maakt de manier van helpen degene die geholpen wordt vaak juist niet incompetent, niet meer in staat te zorgen voor het eigen bestaan, terwijl juist het gevoel van eigenwaarde van de helper wordt gestimuleerd?

Donderdag 22 november was ik aanwezig bij het ‘maatschappelijk congres’ van vluchtelingenwerk Nederland. Tijdens een paneldiscussie wierp Fatma Özgemus, voorzitter / directeur van Vluchtelingenorganisaties Nederland de stelling op dat “veel organisaties afhankelijk zijn van de afhankelijkheid van hun cliënten”.  Özgemus: “Vluchtelingen zijn per definitie sterke en initiatiefrijke mensen. Anders waren ze niet tot hier gekomen. Wij hebben de neiging alleen te kijken naar wat ze niet kunnen en naar wat wij denken dat ze nodig hebben. We vergeten te kijken naar wat deze mensen wel kunnen. En dat is heel erg veel. Door alleen te kijken naar hun onmogelijkheden maken we ze klein en afhankelijk. En dat is slecht.”

Nadenkend over de woorden van Özgemus schieten me verschillende voorbeelden uit mijn onderwijspraktijk te binnen. Er was een docent die zwakke leerlingen oneindig liet herkansen in de hoop bij leerlingen zelfvertrouwen op te bouwen. Hij kreeg calculerende leerlingen die zich niet meer op een toets voorbereidden. De school die een uitgebreid dyslexie-beleid voerde, gericht op het verstrekken van voorzieningen als extra tijd, groter lettertype, mondelinge afname van toetsen en allerlei technische aanpassingen, werd door de onderwijsinspectie aangesproken op de enorme uitval van haar leerlingen tijdens het vervolgonderwijs. De bedoelingen waren goed. De uitwerking minder.

Bij het opvoeden van kinderen weten we heel goed dat het inderdaad zo werkt. Echte hulp is gericht op groei en uitbouw van mogelijkheden en niet op het benadrukken van onmogelijkheden. Een kind dat niet kan fietsen leert dat nooit, wanneer de ouders hem altijd met de auto naar school brengen. En een kind leert nooit zelf uit te kijken waar het loopt, wanneer ouders het hele huis tot in detail ‘kindvriendelijk’ inrichten. In die zin gaat echte hulp altijd uit van tijdelijkheid en ‘eigen kracht’.

In het denken van Fatma Özgemus zijn veel helpenden gaan denken dat ze de ‘laatste strohalm’ zijn van iemand die geholpen moet worden. “Helpenden gaan vaak uit van wat iemand niet kan of niet heeft en nemen het op zich daarvoor te zorgen. Ze denken te helpen maar ze doen het tegenovergestelde”. “Echte, duurzame ondersteuning kunnen hulpverleners per definitie nooit bieden. Hulp helpt pas echt wanneer de hulp uiteindelijk niet meer nodig is. Duurzame ondersteuning biedt een hecht netwerk rond een vluchteling. Het is de taak van een helpende juist dat netwerk te versterken”.

Fatma Özgemus zet het sterk aan, maar heeft wel een punt. Eigenlijk zegt ze kernachtig waar filosoof Fernando Savater een volzin voor nodig heeft: “De ellende van tegenspoed is vooral dat zij ons in de handen van anderen drijft, waardoor de macht van de gemeenschap over het individu toeneemt: het is van het allergrootste belang er nauwlettend op toe te zien dat die macht uitsluitend gebruikt wordt om gebrek en behoeftigheid te verhelpen en niet om die gebreken en noden uit naam van een ‘autoritair medelijden’ onder verdoving te laten voortduren.”

Mijn conclusies na afloop van het congres: bied hulp bij de eerste en ergste noden, bouw zo snel mogelijk een duurzaam en ondersteunend netwerk en pas op voor ‘autoritair medelijden’. En dat geldt niet alleen voor hulp aan vluchtelingen.
Posted in: Uncategorized