Een school bestaat om kinderen voor te bereiden op een bestaan in de “grote mensen wereld”. Onderwijs moet kinderen kennis, kunde en vaardigheden bijbrengen die hen helpt zelfstandig de kost te verdienen. Bovendien helpt goed onderwijs kinderen op te voeden tot democratische burgers. School hoeft niet altijd leuk te zijn. School is om te leren en soms is dat leuk.
Tijdens het avondeten vraag ik meestal aan mijn dochter of ze het leuk heeft gehad op school. Eigenlijk vraag ik haar zelden wat ze die dag heeft geleerd. Ik weet dat een kind pas leert wanneer het zich prettig voelt op school. Ik weet dat een leerling lesstof beter opneemt wanneer die aansluit bij zijn of haar belevingswereld en interesses. Maar misschien zijn we door te eenzijdig de nadruk te leggen op de vraag of iets “leuk” is, toch een beetje doorgeschoten.
Hoewel het werk in de sectoren zorg en techniek voor het oprapen ligt, kiezen steeds minder leerlingen voor een dergelijke opleiding. Tegelijkertijd wordt er steeds meer gekozen voor een opleiding die moet voorbereiden op een carriere in bijvoorbeeld de sport, theater, of muziek. Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling. We leiden toch niet op voor werkeloosheid? En wie moet de vacatures vervullen nu de bevolking vergrijst?
Misschien kunnen onderwijsinstellingen, ondanks onderlinge concurrentie, afspraken maken over profilering via “leuke” richtingen of opleidingen. Misschien kunnen decanen meer voorlichting geven over kansen op de arbeidsmarkt. Misschien zouden ouders en kinderen intensiever met elkaar moeten spreken over reële toekomstverwachtingen en school. Misschien kan het bedrijfsleven meer met het onderwijs samenwerken om zo verzekerd te zijn van voldoende goedgekwalificeerde werknemers. Misschien moeten er beleidsregels komen vanuit den Haag. Of misschien kunnen samenwerkende gemeentes binnen een regio iets betekenen. In ieder geval wacht ons hier een leuke uitdaging. Een uitdaging die we samen in het belang van onze economie en jeugd aan moeten gaan.
Tiny Romme
28 oktober 2011
Deze blogpost vraagt inderdaad om een reactie. In Oss hebben we te maken met Talentencampus. Daar wordt nogal veel nadruk gelegd op sport, en wellness. De banen in die sectoren liggen voor het opscheppen, lijkt het, als je alle financiele inspanningen van gemeente en onderwijsinstellingen optelt. Binnen het ROC zijn ze zelfs op vitale afdelingen flink aan het bezuinigen ten behoeve van Talentencampus. Waar zijn we in godsnaam mee bezig, zo vraag ik me af?
Is er niet een totaal verkeerde insteek gekozen om de talenten van Oss te ontwikkelen in een richting die helaas weinig toekomstperspectief biedt? Waarom worden eigenlijk niet veel meer krachten gegenereerd voor de richtingen techniek (bijvoorbeeld voedingstechnologie met ontzettend veel grote en kleine bedrijven in het noordoosten van Brabant en het zuiden van Gelderland [ Food Valley] ) en de immer uitdijende behoefte aan zorg?
In een tijd van steeds schaarsere geldmiddelen kun je beter het geld meteen maar goed inzetten voor ontwikkelingen, die meer in overeenstemming zijn met maatschappelijke behoeften. Talentencampus is in mijn ogen om volstrekt verkeerde redenen begonnen (redden van FC Oss) en ontspoord op de factor leukheid, een hoogconjunctuursfantasie, het big city-syndroom. In het naburige Geffen, waar ik geboren en getogen ben, droomde men enkele jaren geleden ook van een exclusieve Golfbaan. Heel het dorp praatte er over. Mijn broer, die een boerderij heeft en gronden die daarvoor geschikt zouden zijn, kwam plots in beeld bij de golfgeinteresseerden uit Oss met hun makelaar Joop. De club had natuurlijk geen cent te makken. Maar ja, ze kregen het gemeentebestuur van Maasdonk zo gek om in het avontuur te stappen. Inmiddels heeft de crisis toegeslagen en zijn alle plannetjes vervluchtigd in het luchtledige. Of de gronden zijn verkocht, weet ik niet. Maar de boerderij is wel ontmanteld. De Rommes boeren voortaan in Duitsland, waar veel meer ruimte is voor koeienboeren.
Wat ik vooral wil zeggen, dat bestuurders in tijden van hoogconjunctuur allerlei wilde plannetjes ontwikkelen (denk maar aan de kreet van Duizend Dagen Bouwen; het geld kan nooit op, zeker gemeenschapsgeld niet) vaak ter meerdere eer en glorie van zichzelf en zichzelf helemaal loszingen van de maatschappelijke werkelijkheid. Vervolgens ontstaat er altijd een tegenwindje, soms zelfs windkracht 11 of 12 en dan is het verhaaltje uit. De gemeenschap zit met iets opgescheept, waar je weinig mee kunt en wat nog jaren een hoop geld kost. In onderwijsland mogen onderwijsmanagers ook wel eens het imitatiegedrag van de handige jongens uit het bedrijfsleven achter zich laten en zich meer concentreren op goed en deugdelijk onderwijs. Dan zou er echt veel gewonnen zijn. Ik ben het dus wel eens met de strekking van je blogpost, Rene, maar nu de weerbarstige onderwijs- en bestuurderspraktijk nog.