Waarom hij wel en ik niet?

Posted on 23 juni 2016

0


Een mens is een wonderlijk wezen. We worden boos wanneer we denken dat een ander meer krijgt dan wijzelf. We vragen ons minder af of we iets tekort komen. En we maken ons al helemaal niet druk over de vraag of anderen misschien nog minder krijgen. We houden van gelijkheid. Zolang we tenminste zelf iets gelijker zijn dan een ander. Anders is het niet eerlijk.

Inmiddels denk ik er weer wat minder cynisch over. Maar na een aan mij gericht bericht op Twitter, dacht ik dat bovenstaande constatering op zijn minst een kern van waarheid bevatte. Ik had het gewaagd een oproep te plaatsen. “Heeft iemand een schaakbord over voor vluchtelingen uit de noodopvang?” De gebruikelijke reacties (laat die vluchtelingen zelf hun spullen maar betalen) laat ik buiten beschouwing. Bijzonder was dat ik werd aangesproken op het gelijkheidsbeginsel.

Het kwam er op neer dat mijn inzet voor de medemens op zich wel gewaardeerd werd. Maar met een duidelijke kanttekening. De persoon in kwestie was toch ook een medemens? Waarom dan geen oproep plaatsen voor hem? Of ik zijn wensenlijstje eventjes in een volgend bericht wilde verwerken. Want als wethouder van alle Ossenaren mocht ik toch zeker geen verschil maken tussen een vluchteling en een autochtoon? “Discriminatie is immers verboden.”

Op zich wel mooi verzonnen natuurlijk. Met een beroep op gelijkheid hulp claimen die je niet nodig hebt. En in dezelfde beweging het vluchtelingenvraagstuk ‘aan de kaak stellen’. Dat de redenering niet op gaat is wel duidelijk. Want dan zou een mens nooit meer iets voor een ander kunnen doen. Hetzelfde voor iedereen doen is onmogelijk. Waarom hij wel en ik niet? Is dat echt de bril waardoor we naar onze wereld willen kijken?

 

 

Posted in: Uncategorized